Klik hier voor een overzicht van alle pagina's
Zonde en Zonden
Men begrijpe goed, dat wij - sprekende van zonde en zonden - niet te maken hebben met de enkel- of meervoudsvorm van hetzelfde woord, maar met twee geheel verschillende begrippen. De Romeinenbrief behandelt de zonden tot op het elfde vers van hoofdstuk 5, om dan vanaf het 12e vers tot het 39e vers van hoofdstuk 8 meer in het bijzonder de zonde te behandelen.
- Zonde is karakter; zonden is gedrag.
- Zonde is het middelpunt; zonden de omtrek.
- Zonde is de bron; zonden hetgeen uit haar vloeit.
- Zonde is de wortel; zonden wat er uit op groeit.
- Zonde is de boom; zonden zijn de vruchten.
- Zonde is de oude natuur; zonden de openbaring daarvan.
- Zonde is wat wij zijn; zonden wat wij doen.
- Zonde is onze staat; zonden is onze toestand.
In het eerste deel van deze acht hoofdstukken van de Romeinenbrief vinden we: "allen hebben gezondigd", d.i. zonden begaan. Rom. 1:8 - 5:11
In het tweede deel Rom. 5:12 - 8:39 vinden we: "door één mens is de zonde (-natuur) ontstaan en de dood."
Het eerste deel gaat over het gerechtvaardigd worden van de zondaar voor God, terzake van wat hij gedáán heeft of doet, het tweede van wat hij ís.
De mens staat in tweeërlei opzicht onrechtvaardig voor God: in de eerste plaats omdat hij zondaar is, en in de tweede plaats omdat hij zondigt.
Als Christus niet meer gedaan had, dan onze zonden te dragen in Zijn lichaam op het hout, 1Pet. 2:24 dan waren wij nog verloren; want in Gods oog bleven we zondaars. Wat onze zonden betreft, weten wij, dat wij in Christus "de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden." Kol. 1:14
Als dus een zondaar gelooft in Jezus Christus als Zijn Verlosser, worden hem zijn zonden afgenomen. En wat nu de natuur van de zondaar betreft, leert 2Kor. 5:21: "Want Dien, Die geen zonde (zonde-natuur, oude mens) gekend heeft, heeft Hij zonde (zonde-natuur, oude mens) voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem."
Hieruit blijkt dus, dat onze zonde-natuur Christus toegerekend is, alsof Hij zo was, en dat, toen Hij stierf, in de ogen Gods wij - wat ons "ik" betreft -stierven, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Christus heeft Zich met ons vereenzelvigd, zodat door Zijn dood onze zonden zijn gedelgd, terwijl door Zijn opstanding ons Zijn rechtvaardigheid, de rechtvaardigheid Gods, werd "toegerekend".
Wij zijn met Hem gestorven, begraven en opgewekt tot de heerlijkheid des Vaders", Rom. 6:2-5 zodat God ons nu Zijn rechtvaardigheid toekennen kan.
|