Klik hier voor een overzicht van alle pagina's
Waartoe is de Wet?
Zo komt Paulus dan tot de vraag:"Waartoe is dan de Wet?" Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was." Gal. 3:19
Men zal misschien zeggen: "De Wet is toch onze tuchtmeester tot Christus?"
Vreemd, hoe men soms de Bijbel leest! Want er staat: "Zo dan, de Wet is onze Tuchtmeester gewéést tot Christus." Gal. 3:24
Geweest is toch verleden tijd! Terwijl dat "onze" hoegenaamd niet op "ons" doelt, maar op Paulus en zijn Joodse volksgenoten. Paulus was een Jood en spreekt hier als zodanig. Hij legt er zelfs de nadruk op dat hij met dat "onze" niet de gelovigen uit de Heidenen bedoelt, maar zichzelf en de andere Joden. Want in Gal. 2:15 zegt hij: "Wíj zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de Heidenen."
Dit geval staat niet alleen. In de brief aan de Kolossensen vinden wij hetzelfde en óók in verband met de Wet. In Kol. 2:13-14 gebruikt hij de persoonlijke voornaamwoorden "u" en "ons": "En Hij heeft u (Heidenen) als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede (met ons Joden) levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende; uitgewist hebbende het handschrift (Wet), dat tegen ons (Joden) was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons (Joden) tegen was….."
Wij zien dus dat de Wet de Joodse tuchtmeester geweest is, om dit volk tot Christus te brengen. De Wet is nu geen tuchtmeester meer tot Christus. Het is thans de Geest van God, Die de wereld overtuigt van zonde.
De Heiland zegt immers: "Maar indien Ik heenga, zo zal ik Hem (de Heilige Geest) tot u zenden; en die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde." Joh. 16:8 Van zonde, niet omdat de wereld de Wet niet houdt, doch omdat zij niet gelóóft in Jezus Christus. Er volgt nadrukkelijk: "Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven." Joh. 16:7-9
Mensen gáán nu niet verloren, doch ze zíjn verloren, of ze zondigen of niet. Sedert de Heere Jezus Christus is gestorven en begraven en opgestaan is de gehele wereld voor God verdoemelijk, of zij de Wet hebben of niet.
"Wij weten nu, dat al wat de Wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de Wet zijn (Israël); opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld (zowel Israël met de Wet als de Heidenen zonder de Wet) voor God verdoemelijk zij; daarom zal uit de werken der Wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de Wet (die spreekt tot degenen, die onder de Wet zijn, d.i. Israël) is de kennis der zonde." Rom. 3:19-20
God had de Wet aan Israël gegeven, opdat zij zouden leren verstaan dat zij zondaars waren en geen rechtvaardigheid hadden. De Wet was de Goddelijke toetssteen voor Israël, waardoor men kon weten, dat men vol zonde was en niet in staat te naderen tot een heilig en rechtvaardig God. "Om der overtredingen wil" Gal. 3:19 waren zij onder de Wet gesteld, totdat Christus kwam, opdat zij zich tot Hem zouden wenden met hun gemis aan rechtvaardigheid.
Dit zich wenden tot Christus lag reeds opgesloten in de Wet van het offer. Want God had aan Israël de Wet der Tien Geboden niet gegeven opdat zij die zouden nakomen, doch opdat zij zouden ervaren, dat zij deze niet kónden nakomen! Zodat zij door het zondigen tegen de Wet in de genade-armen Gods konden vallen, afgebeeld in het offer, dat op Christus zag.
Een Israëliet kon de volle genade Gods eerst smaken als hij na gezondigd te hebben door enige wetsovertreding het daarvoor opgelegde offer had gebracht. Daarom kon David zeggen: "Uw Wet heb ik lief." Hij bedoelde daarmee niet de morele Wet, maar de ceremoniële Wet, de Wet der offeranden, want deze zagen alle op het werk van Christus.
God mocht verwachten, dat Israël na eeuwen onder de Veroordeling van de Wet der Tien Geboden te hebben geleefd, in die tijd zou hebben geleerd de Christus te waarderen, Die in elke offerande werd afgebeeld.
Hij had door de mond hunner profeten reeds voorzegd dat Zijn naam zou zijn: "De HEERE, onze Gerechtigheid." Doch toen Christus kwam om hun het beloofde Koninkrijk aan te bieden en hun de voorwaarden voorhield waarop zij in dit Koninkrijk konden ingaan, "weigerden zij Hem, omdat zij zich hebben gestoten aan de steen des aanstoots." Rom. 9:31-33 Zij verkozen de Wet en weigerden Christus. Zij zochten de rechtvaardigheid, die uit de Wet was, Rom. 9:31, 32 en verwierpen Christus, Die hun Rechtvaardigheid wilde zijn. 1Kor. 1:30
In plaats van zonde-bewustzijn te verkrijgen door de veroordeling door de Wet, trachtten zij de Wet te behouden.
De Heiland predikte hun: "Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden." Mat. 5:6
Want Hij was hun Gerechtigheid en Hij wilde hen verzadigen.
"Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der Hemelen." Mat. 5:2
De Wet had hun niet geleerd hoe arm van geest zij waren. Integendeel! Zij waren vol geest evenals hun vaderen, die, toen Mozes hun de Wet gaf, zeiden: "alle deze dingen zullen wij doen." Ex. 19:8; 24:3, 7; Joz. 1:16 Zij verwierpen "de HEERE hun Gerechtigheid" en streefden naar rechtvaardigheid uit de werken der Wet. Rom. 9:32
|