Klik hier voor een overzicht van alle pagina's
Geen Wetsbetrachting uit Dankbaarheid
Paulus de Christen, denkt er niet aan, om uit dankbaarheid zich nog met de Wet bezig te houden; want hij weet, dat hij niet "onder" de Wet is. Rom. 6:14
Hij weet, dat die Wet hem "gedood" heeft Rom. 7:4 "door het lichaam van Christus". Hij is met Christus aan het kruis gestorven en - daardoor vrij geworden van de Wet - nu gemaakt tot dienstknecht van God "in nieuwigheid des Geestes" (d.w.z. onder nieuwe omstandigheden, onder de heerschappij van de Geest) en niet in de oudheid der letter (van de wet)." Rom. 7:6; 2Kor. 3:6, 7
Daarom acht hij rechtvaardigheid, die uit de Wet is, "schade en drek" om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus. Fil. 3:8 Die was voor hem het meest begeerlijke.
"Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende." Fil. 3:10 Dat was zijn verlangen. "Ik jaag er naar", zegt hij. Fil. 3:12
Met de Wet wenste hij niets meer van doen te hebben: "vergetende hetgeen achter is." Fil. 3:14 Christus was hem alles, Christus was hem genoeg. Zijn streven is, dat hij "in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de Wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof." Fil. 3:9
Hij wordt als het ware bezeten door een hartstochtelijk verlangen de Heere Jezus nader te leren kennen "en de kracht Zijner opstanding", d.w.z. de Heilige Geest Gods, door Wiens kracht Christus uit de doden opgestaan is.
Deze zelfde kracht, de werkzaamheid van de Heilige Geest van God, wenste Paulus in zijn leven te ervaren. Niet om met de hulp van die Geest de Wet te houden, maar om gemeenschap te hebben met het lijden van de Heere Jezus.
Niet met het lijden aan het kruis, maar met het lijden, dat Christus ervoer, omdat Hij door de wereld niet gekend was. Zie 2Kor. 1:5
En als gevolg van die gemeenschap, zal ook hij dan door de wereld worden verworpen. Ja, hij wenste de dood van zijn Heiland gelijkvormig te worden. Wetende dat God hem reeds ziet als met Christus gekruisigd, wenst hij in zijn levensopenbaring te zien en te ervaren dat hij met Hem is gestorven, begraven en opgestaan. Daarom kan hij in de Galaten brief ook zeggen: "en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij." Gal. 2:20
Paulus als Jood was "door de Wet der Wet gestorven", opdat, zegt hij, "ik Gode leven zou." Gal. 2:19 "Gode leven" is: Christus-leven. Christus- leven is de openbaarmaking van het karakter van Christus.
Dat ligt niet in onze macht; wij kunnen niet eens als rechtvaardige mensen leven! Christus-leven is Goddelijk leven, en Goddelijk leven kan alleen door God worden geleefd.
"Werkt uw zelfs zaligheid (d.w.z. werkt uit, wat God inwerkt) met vreze en beven; want het is God, die in u werkt, beide het willen en werken, naar Zijn welbehagen." Fil. 2:12, 13
Dan "willen" wij wat God wil en "werken" wij, wat God werkt. Want: "zo boom, zo vrucht".
De Geest van God werkt in ons als vrucht de karaktereigenschappen van Christus, die we opgesomd vinden in Gal. 5:22. "De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid (zelfbeheersing)." "Tegen de zodanigen is de Wet niet." Gal. 5:23 Zij die dit karakter, dit leven van Christus, openbaren, komen nooit in conflict met de Wet. Zij leven ver boven de Wet, want zij leven het leven van Christus.
Ditzelfde houdt de apostel bezig als hij schrijft aan de Korinthiërs dat zij een brief van Christus zijn. 2Kor. 3:3 Door Zijn dienst bereid, zijn zij een brief die geschreven is niet met inkt (de Wet), maar door de Geest des levenden Gods. Niet in stenen tafelen (de Wet), maar in vlezen tafelen des harten (door de Geest). Hij was een "dienaar des Nieuwen Testaments, niet der letter (de Wet), maar des Geestes; want de letter (de Wet) doodt, maar de Geest maakt levend". 2Kor. 3:6 Deze "bediening des doods in letters bestaande en in stenen ingedrukt (de Wet), is in heerlijkheid geweest" 2Kor. 3:7 tot op Christus. Gal. 3:23, 24
De bediening des Geestes nu is veel heerlijker.
"Want indien de bediening der verdoemenis (de Wet) heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid (uit het geloof van Christus) overvloedig in heerlijkheid." 2Kor. 3:9
Want indien hetgeen teniet gedaan wordt (de Wet), in heerlijkheid was, veelmeer is hetgeen blijft (bediening des Geestes), in heerlijkheid." 2Kor. 3:11 Mozes legde een "deksel" (sluier) op zijn aangezicht, opdat het volk niet zien zou dat de Wet tijdelijk was, en te niet zou worden gedaan. En over het oude volk Israël ligt nog datzelfde "deksel", zodat zij in het Oude Testament slechts de Wet zien en niet Hem, Die "het einde der Wet" was; nl. Christus. Rom. 10:4
|