Klik hier voor een overzicht van alle pagina's
De Wet gelegd op de oude mens
De nieuwtestamentische gelovige is, wat zijn oude mens betreft, met Christus gestorven en begraven en met Christus opgewekt, opdat een nieuw leven (het opstandingsleven) zou openbaar worden. "Wij zijn dan met Hem begraven... opdat gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens zouden wandelen." Rom. 6:7
Zou een Christen onder de Wet leven, dan zou de Wet gelegd moeten worden op de oude mens in Hem. Maar dan zou God daardoor het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus waardeloos verklaren.
Dat doet dus, als het er op aankomt, elke Christen die onder de Wet leeft. Hij ontkent met Christus gestorven en begraven te zijn. Hij ontkent, dat zijn oude natuur met Christus gekruisigd en gevonnist is. Hij negeert de Goddelijke vermaning: "Houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde (oude mens) dood zijt, maar Gode levende (nieuwe mens) in Christus Jezus onze Heere." Rom. 6:11
Paulus komt dan ook tot de slotsom dat de zonde niet over ons zal heersen, juist omdat wij niet onder de Wet zijn, maar onder de Genade. "Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de Wet, maar onder de Genade." Rom. 6:14
Een Israëliet moest zonde ervaren, opdat hij door het geloof zou komen tot de Genade. Een Heiden moet geloven zondaar te zijn, om de Genade te ervaren. Een Israëliet kende zijn verdorven toestand doordat hij de Wet overtrad. Als hij dan in het geloof offerde, kwam hij tot rust voor zover het die overtreding betrof. Een Heiden kent zijn verloren toestand door te geloven in Gods Woord. Gelovende ervaart hij dan de Genade Gods door de blijdschap die zijn hart vervult.
De duizenden mensen die weten dat zij zondaars zijn eten of slapen er gewoonlijk niet minder rustig om. Als deze mensen ook geloofden dat zij zondaars zijn omdat God het zegt, zou het uit zijn met hun rust en vrede.
In de Romeinenbrief brengt het Woord van God eerst de Heiden en dan de Jood voor de rechterstoel van God en het oordeel over beiden is vernietigend: "Er is niemand rechtvaardig.... verstandig... niemand, die God zoekt... die goed doet, er is ook niet tot één toe... en de gehele wereld voor God verdoemelijk." Rom. 3:11-12, 20
De Goddelijke Rechter spreekt Zijn oordeel uit over de mens. En omdat hem dit oordeel niet in de eerste plaats treft wegens zijn persoonlijke daden, maar omdat zijn wezen - als afstammeling van Adam - van nature zo is, spreekt het vanzelf, dat hij door het doen en laten van dingen nimmer enige verandering in deze Goddelijke uitspraak zal kunnen brengen. Maar de mens wil niet geloven aan het Goddelijk oordeel en werpt zich op tot zijn eigen rechter door zichzelf te be oordelen naar de Wet. Hij gelooft liever in zijn eigen ervaringen dan in het Woord van God.
|