Klik hier voor een overzicht van alle pagina's
De Gemeente in relatie tot Christus
Het Nieuwe Testament gebruikt zeven beelden, om de verhouding aan te geven tussen Christus en de Gemeente.
- De Herder en de Schapen
- De wijnstok en de ranken
- De Hoeksteen en het Gebouw
- Een priesterlijk koninkrijk
- Een nieuwe schepping
- Het Hoofd en het Lichaam
- De Gemeente, vrouw van Christus
De Herder en de Schapen
Christus is de Herder en de christenen zijn de schapen. Op drievoudige wijze wordt Christus in de Bijbel voorgesteld als Herder:
a. Als de Goede Herder geeft Hij Zijn leven voor de schapen, Joh.10 : 7, 9, 11 en geeft Hij Zijn leven aan de schapen. Joh. 10 : 10; 12: 24; 1Joh. 5:11
b. Als de Grote Herder is Hij opgewekt uit de doden, Hebr. 13:20 zorgt Hij voor Zijn schapen, Joh. 10:3, 4, 27 bewaart Hij Zijn schapen, Joh. 10:28, 29 en benoemt Hij onderherders. Joh. 21:15-17
c. Als de Overste Herder zal Hij wederkomen om de onderherders te belonen voor de zorg, die zij aan Zijn schapen besteed hebben. 1Pet. 5:1-4; 1Thes. 2:4-12 Zie ook Hand. 20:28.
Het drievoudig herderswerk van onze Heiland, wordt geïllustreerd in:
Psalm 22 - de Goede Herder;
Psalm 23 - de Grote Herder;
Psalm 24 - de Overste Herder.
In een bijzondere zin is Christus "de Herder Israëls". Gen. 49:24; Ps. 80; Jes. 40:11; Jer. 31:10; Ez. 34:11-31; Zach. 13: 6, 7; Mat. 26:31
De wijnstok en de ranken
Johannes 15:1-8, 11
| 1 |
Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. |
| 2 |
Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. |
| 3 |
Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb. |
| 4 |
Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft. |
| 5 |
Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen. |
| 6 |
Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. |
| 7 |
Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden. |
| 8 |
Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn. |
| 11 |
Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde. |
De voorstelling toont het unieke karakter van de Gemeente aan en spreekt van het goddelijk leven en kracht, die beiden in de Gemeente actief zijn. De rank deugt voor niets anders dan voor het voortbrengen van vruchten; en deze vruchten zijn niet eens haar eigen producten. Voorwaar geen vleiend beeld van de gelovige, die toch zo gaarne "iets" wil zijn. Het enige dat een rank kan doen, is het levenssap van de wijnstok in zich opnemen, om dat sap de vruchten te laten voortbrengen. Het is het levenssap en de levenskracht van de wijnstok, die de vruchten aan de rank voortbrengt.
De grote centrale gedachte van dit gedeelte is het "blijven" in Christus, waardoor vrucht kan worden voortgebracht.
Aan de hand van dit beeld zien we dus:
- De gelovigen individueel en daardoor de Gemeente collectief zijn in Christus zoals de rank is in de wijnstok.
- De gelovigen zijn in Hem, slechts om vrucht voort te brengen. Dit is de grote taak der gelovigen.
- Deze vruchten zijn alleen die, welke voortgebracht zijn door het goddelijke leven en de kracht, komend van het Hoofd der Gemeente.
- De gelovige is dus in Christus om Diens levenskracht te openbaren.
- Zijn verhouding tot Christus moet steeds zijn als die van een levende rank tot de wijnstok: Een zich openstellen voor, en het in zich opnemen van het goddelijk leven en de goddelijke kracht en die dan in zich zo te laten werken dat zij Christus openbaren.
-
Drie grote gevolgen hiervan vinden wij in:
Vers 7: In betrekking tot God: een doeltreffend gebed.
Vers 8: In betrekking tot de wereld: voortdurende vrucht.
Vers 11: In betrekking tot zichzelf: voortdurende blijdschap.
De Hoeksteen en het Gebouw
Ef. 2:19-22
Israël had een tempel Ex.25:8 en de Gemeente is een tempel. Ef. 2:21;
voorts: Mat. 16:18; 1Pet. 2:5; 1Kor. 3:9
Het beeld van Christus als een steen vinden wij herhaaldelijk in de bijbel.
In betrekking tot de heidenen is Hij de vallende steen in hun uiteindelijk oordeel. Dan. 2:34
In betrekking tot Israël is Hij de "Steen des aanstoots" en de "Rots der ergernis".
Jes.8:14, 15; 1Kor. 1:23; 1Pet. 2:7
In betrekking tot de Gemeente is Christus het fundament en de hoeksteen.
1Kor. 3:11; Ef. 2:20-22; 1Petr. 2:4, 5 Vergelijk Ps. 118:22-24; Hand. 4:11; Ps. 2:7-9; Mat. 21:42-44.
De Gemeente heeft als gebouw drie kenmerken.:
Iedere steen is een "levende steen", dw.z. hij is "de Goddelijke natuur deelachtig. 1Pet. 2:5
Zowel de hoeksteen als het fundament is Christus. Ef. 2:20-21; 1Kor. 3:11; 1Pet. 2:6
Het gehele gebouw is "een woonstede Gods in de Geest". Ef. 2:22
Een priesterlijk koninkrijk
De Gemeente is een Priesterschap waarvan Christus de Hogepriester is.
Christus is Koning-Priester naar de ordening van Melchizédek. Ps. 110:4; Heb. 5:1-10; 6:20; 7:1-3
De christen is een Koning-Priester voor God. Op. 5:10
Zijn dienst als Koning heeft betrekking op "de toekomende eeuw", wanneer hij met Hem zal heersen.
Elke gelovige is een priester en behoort als zodanig te beoefenen:
-
De dienst der offerande:
- Van zijn lichaam; Rom. 12:1
- Van de vrucht der lippen; Heb. 13:15
- Van zijn bezit. Fil. 4:18; Heb. 13:16
- De dienst der voorbidding. Rom. 8:26-27; Heb. 10:19-22; 1Tim. 2:1; Kol. 4:12
Een nieuwe schepping
1Kor. 15:45; Rom. 8:2, 11
Reeds in Rom. 5 wordt Christus voorgesteld als het Hoofd van het nieuwe geslacht. In de Heilige Schrift vinden we drie grote geslachten:
- De heidenen, met Adam als hun geslachtshoofd.
- De joden, met Abraham als hun geslachtshoofd.
- De christenen, met Christus als hun geslachtshoofd.
De bijbel maakt een duidelijk onderscheid tussen deze drie groepen van mensen. Het is dan ook in deze figuurlijke voorstelling, dat het onderscheid tussen Israël en de Gemeente het duidelijkst gezien wordt. De Gemeente behoort tot de nieuwe schepping; 2Kor. 5:17 Israël tot de oude.
Hoe nauw zij met de oude schepping in betrekking stond, blijkt uit teksten als Ex. 31:12-17; Jes. 66:23; Ez. 46:1. Haar betrekking tot God is een Sabbats-verbond. Zij moesten zes dagen werken en op de zevende dag rusten, omdat God insgelijks gedaan had in Zijn scheppingswerk.
Voor de Gemeente is het geheel anders.
Voor haar vinden we geen gebod om een rustdag te onderhouden. Het leven is voor haar een voortdurende activiteit. De oude schepping, liggende onder de vloek Gods, ging met Christus het graf in. Zij is geoordeeld en heeft daarom voor God afgedaan. Dit alles natuurlijk in juridische zin. Niettemin kwam er met Christus opstanding tevens een nieuwe scheppingsorde, ver verheven boven de oude.
Van deze nieuwe schepping vinden we in de Schrift het volgende:
-
Christus zelf is de nieuwe schepping. 1Tim. 6:16; 2Tim. 1:10
De opstanding was niet een wederkeren van het leven, dat Christus aan het kruis had afgelegd. Het opstandingsleven was een nieuwe schepping. Hierin onderscheidt zich Christus opstanding van die van Lazarus, het dochtertje van Jaïrus. etc. Bij deze kwam het oude leven terug; want zij zijn weer gestorven. Christus kwam te voorschijn als "een nieuw Schepsel". God en mens in één persoon, onsterfelijk en onverderfelijk.
Laten we voor ogen houden, dat Christus daar als mens stond onder een geheel nieuwe scheppingsorde. In dit verband is het merkwaardig op te merken, dat het na Zijn opstanding was, dat Hij op Zijn discipelen blies, evenals God in de eerste schepping geblazen had in de neusgaten van Adam. Door dit blazen op Zijn discipelen ontvingen deze het nieuwe leven, waarin nu een ieder komt te staan, die gelovig tot Jezus komt. Joh. 5:24
-
Alle gelovigen, levend met Christus verbonden, maken nu deel uit van deze nieuwe schepping.
Joh. 14:20;17:20-23
De gelovige is in Christus en Christus is in de gelovige. De uitdrukking "in Christus" of "in Hem" wordt ongeveer 115 malen in het N.T. gevonden en vormt de hoogste Goddelijke openbaring in betrekking tot de gelovige.
Op kinderlijke wijze wordt ons deze geweldige en onbegrijpelijke waarheid medegedeeld, zonder enige poging, haar te verklaren. Het is voor ons ook niet mogelijk haar te begrijpen, zolang we in het eindige zijn. De gelovige in deze bedeling is een verborgenheid. 1Joh. 3:2
Want hij is veel meer dan een verloste zondaar. Hij is gebracht in zulk een nauwe betrekking tot God, dat hij van God onafscheidbaar is. Zijn leven is met Christus verborgen in God. Kol. 3:3
Deze uitdrukking van Paulus heeft dezelfde betekenis als die van Jezus in Joh. 17:21. De gelovigen vormen tezamen een eenheid, doordat elk afzonderlijk opgenomen is in Hem. Er is geen nauwere verbinding denkbaar en geen vastere grond voor een ware broederschap. De gelovigen zijn onafscheidelijk aan elkander verbonden, in het Goddelijk Wezen, om voor eeuwig de Goddelijke heerlijkheid te delen.
Zulk een duizelingwekkende hoogte kan nimmer een mens, onder de oude scheppingsorde, bereiken, eenvoudig omdat die orde alleen beperkt is tot de aarde. Een veel hogere scheppingsorde was hier voor nodig. Een scheppingsorde, die geheel beheerst wordt door de onsterfelijkheid en onverderfelijkheid. Hier komen we weer terug tot 2Tim. 1:10, waar we Christus zien als de Schepper van dat nieuwe leven. In de gelovige is dus niet de oorspronkelijke mens van voor de zondeval, hersteld, doch hij is oneindig hoger opgevoerd dan Adam ooit stond, of ooit kon gestaan hebben, had hij niet gezondigd.
Het verschil wordt gezien in de kwestie van onderscheid in de scheppingsorde. Het onsterfelijke en onverderfelijke leven van deze nieuwe schepping is het eeuwige leven, dat iedere uitverkorene ontvangt. Het eeuwige leven, hoewel reeds ontvangen, wordt niet ervaren zolang wij naar onze lichamen nog onder de oude scheppingsorde staan. Het eeuwige leven te ervaren is, op hetzelfde ogenblik alles te ervaren dat ooit geweest is of ooit zijn zal, en dat voortdurend tot in eeuwigheid.
-
De Nieuwe Schepping zal voltooid zijn in de Opname der Gemeente.
Rom. 8:23, 29; 1Joh. 3:2; 1Kor. 15:51-55
Nu reeds in beginsel hebben we het nieuwe leven ontvangen en ervaren in zekere mate de uitwerking ervan. "Het is echter nog niet geopenbaard, wat we zijn zullen." 1Joh. 3:2 De kiem van het nieuwe scheppingsleven is aanwezig, en daarmede de ontzaglijke mogelijkheden, die echter eerst ten volle gezien zullen worden in de dag der uiteindelijke verlossing, waarnaar de gelovige reeds nu reikhalzend uitziet. Rom. 8:23
Het beeld: de Laatste Adam en de nieuwe schepping, spreekt van een nieuw verbondshoofd van een nieuwe natie, die niet gevallen is en zelfs niet in staat is te vallen. Ik ben méér dan een zondaar die door genade gered is. Ik ben een heilige, een zoon, en heb in mij de kracht der verheerlijking. Deze kracht is in mij, doch zij wordt ten onder gehouden, zodat ik in contact kan blijven met mijn medemensen. Het spreekt echter ook van onze eenheid met Christus en onze eeuwige heerlijkheid, die geopenbaard zal worden bij Zijn wederkomst.
Het Hoofd en het Lichaam
Rom. 12:4-5; 1Kor. 12:12-27; Ef. 1:23; 2:16; 3:6; 4:4, 12, 16; Kol. 1:18; 2:19; 3:15
Dit is het beeld, dat het meest gebruikt wordt om het wezen en karakter van de Gemeente voor te stellen. Ook hier zien we een merkwaardig verschil tussen Israël en de Gemeente. Israël was een natie, die tezamen gehouden werd door een systeem van wetten die haar leven en taak bepaalden. Zolang zij die wetten onderhield bleef zij staande en krachtig in haar nationale eenheid. Haar gehoorzaamheid aan deze uitwendige wetten faalde echter, en zij hield op te bestaan als een natie.
De Gemeente daarentegen wordt niet tezamen gehouden door een invloed van buiten af, maar door de inwonende Christus zelf. Hierdoor is zij een levend organisme, dat nimmer zal ophouden te bestaan. Want God zelf woont in haar.
Het beeld toont ons het gemeenschappelijk leven in de Gemeente van Christus. Ook wederom hier zien we, dat er meer sprake is van een taak van de individuele gelovige, dan van de Gemeente als organisme of instituut. Het doel waarvoor de Gemeente door de Heilige Geest wordt samengesteld, vindt zijn verwerkelijking in de vervulling van de taak der gelovigen.
Een der merkwaardigste dingen in het lichaam is, dat de leden voor elkander bestaan en in de nauwste samenwerking met elkander hun functies verrichten. Wat zou de maag kunnen doen zonder verteringsorganen. En wat zouden deze verrichten zonder de bloedsomloop. Zo zouden we kunnen doorgaan en aantonen dat de verschillende leden zodanig op elkander zijn ingesteld en zij tezamen in zulk een betrekking tot het hoofd staan, dat het gehele lichaam schade zou lijden indien één lid ontbrak.
Ongetwijfeld had Paulus dit voor ogen, toen hij schreef "uit welke het gehele lichaam, bekwamelijk samengevoegd en tezamen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van elk deel in zijn maat wasdom bekomt tot zijns zelfs opbouwing in de liefde."Ef. 4:16
Elk "lid" is geplant in het lichaam op een speciale, en niet op een willekeurige wijze. 1Kor. 12:12-27 D.w.z. dat ieder "lid" door de wil van God bestemd is, een speciale functie te beoefenen in dienst van het Hoofd. 1Kor. 12:4-11
Deze functies worden genoemd "gaven". Elke "gave", hoe onderscheiden ook van aard, is een "openbaring des Geestes". 1Kor. 12:7
In ware christelijke dienst wordt niets overgelaten aan onze eigen wil. Wij dienen het Hoofd, wiens leden wij zijn, als wij ootmoedig en blijmoedig de plaats innemen, die ons toegewezen is. De "voet" moet niet trachten, het werk van de hand te doen.
Juist in betrekking tot de plaats, die de gelovige in de Gemeente van Christus inneemt, is het van groot belang kennis te nemen van Romeinen 12:1-8.
In dit gedeelte spreekt de apostel van de "gaven" der leden van het lichaam van Christus. Niet allen hebben dezelfde werking, zegt hij in vers 4; maar verscheidene gaven zijn gegeven, vers 6. Van betekenis is het begin van dit hoofdstuk. Alvorens te spreken van "de werking der leden", en hun gaven, smeekt hij hun, zichzelf tot "een Gode welbehaaglijke offerande te stellen".
Voor het gebruik der gaven, dus eerst een gehele overgave. Slechts onder deze conditie kunnen de gaven tot hun volste recht komen.
Wat zou een uiterst bekwame vakman kunnen doen, waren zijn handen niet onderworpen aan zijn verstand. Het hoofd bestuurt de handen; staan deze in de juiste verhouding tot het hoofd, dan zijn de producten in overeenstemming met de bekwaamheid van de arbeider.
Overgave is dus een geheel onderworpen zijn aan het Hoofd des lichaams, zodat Hij door ons Zijn wijsheid en verstand kan openbaren.
Het lichaam is ook voor openbaring. Op dezelfde wijze heeft de Gemeente, die Zijn lichaam is, tot taak om Hem zichtbaar te maken voor de mensen. 1Pet. 2:9; Gal. 2:20; 5:22; Fil. 1:21; Joh. 9:5, enz.
De Gemeente, vrouw van Christus
Efeziërs 5:22-32
| 22 |
Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan den Heere; |
| 23 |
Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams. |
| 24 |
Daarom, gelijk de Gemeente aan Christus onderdanig is, alzo ook de vrouwen aan haar eigen mannen in alles. |
| 25 |
Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; |
| 26 |
Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord; |
| 27 |
Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. |
| 28 |
Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben, gelijk hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief. |
| 29 |
Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, gelijkerwijs ook de Heere de Gemeente. |
| 30 |
Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen. |
31 |
Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot één vlees wezen. |
| 32 |
Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente. |
In dit beeld wordt nu geïllustreerd de liefdesverhouding van Christus tot Zijn Gemeente. Dit beeld is afgeleid van het vorige: het hoofd en het lichaam. Ef. 5:23, 28, 29
De liefde van Christus voor de Gemeente is de basis voor de reinigende en heiligende werking die Hij aan de Gemeente verricht. Ef. 5:2, 25-27; Tit. 2:14
De Gemeente als bruid van Christus is in de Bijbel niet te vinden en is in strijd met de huwelijksrelatie van gemeenschap, zoals die hierboven werd beschreven.
Wel beschrijft de Bijbel Israël als de toekomstige bruid van Jehovah.
|